Aangeven

From Fresh Dictionary

Dutch

Verb

aangeven

  1. To hand; to pass.
    Kun je me de afstandsbediening aangeven? — Could you hand me the remote control?
  2. To indicate; to make clear.
    Hij heeft aangegeven waar het is. — He indicated where it is (to be found).
  3. To report; to notify.
    Iemand aangeven. — To report someone (to the authorities).
  4. To declare.
    Niets aan te geven. — Nothing to declare.

Conjugation

Infinitive: Aangeven
Present tense Past tense
ik geef aan wij geven aan singular gaf aan
jij geeft aan jullie geven aan plural gaven aan
hij/zij geeft aan zij geven aan
Present participle Imperative Auxiliary Past participle
Aangevend geef aan hebben aangegeven
fr:aangeven

id:aangeven nl:aangeven

Personal tools